Terug

Natuur: de Finse route naar gezondheid

4 juni 2026

[English version below]

In Nederland praten we al jaren over preventie, over een gezonde leefstijl en natuurlijk over het terugdringen van zorgkosten. Maar ondertussen blijven we gezondheid vaak benaderen vanuit het zorgsysteem. We investeren vooral in gezondheid wanneer mensen al klachten hebben. Finland kiest een andere route, met natuur in de hoofdrol. We gingen in gesprek met Marja Järvenpää (Sitra, het Finse Innovatiefonds) en Sara Malve-Ahlroth (Finnish Institute of Occupational Health) over de vraag hoe natuur een structurele plek kan krijgen in gezondheid, zorg, werk en leefomgeving.

Mensen maken op allerlei manieren gebruik van een mooi bospark

Dit jaar ging in Finland het tienjarige programma Health from Nature van start. Volgens de initiatiefnemers gaat het om het eerste nationale programma ter wereld dat natuur expliciet benadert als onderdeel van volksgezondheid.

De gezondheidswaarde van natuur blijft onderbenut

Net als Nederland kampt Finland met een groeiend aantal mensen met mentale gezondheidsproblemen, terwijl de bevolking tegelijkertijd vergrijst en de druk op het zorgstelsel toeneemt. Daar komen nog andere uitdagingen bij, zoals obesitas en een toenemend gebrek aan beweging, die de samenleving jaarlijks miljarden euro’s kosten. Volgens Järvenpää is het daarom tijd om anders naar gezondheid te kijken.

“Veel mensen gebruiken natuur al intuïtief wanneer ze stress ervaren of behoefte hebben aan rust. Maar in de systemen en structuren van de samenleving, zoals de gezondheidszorg, ruimtelijke ordening of op werkplekken, zie je die gezondheidswaarde van natuur nog veel te weinig terug.” – Marja Järvenpää

Dat is precies wat de mensen en organisaties achter het Health from Nature-programma willen veranderen.

Wetenschappelijk bewijs als basis

Het programma Health from Nature bouwt voort op jarenlang wetenschappelijk onderzoek naar de relatie tussen natuur en gezondheid. Uit studies blijkt onder meer dat toegang tot natuur stress vermindert, bescherming kan bieden tegen depressie, beweging stimuleert en samenhangt met een lager risico op obesitas en type 2-diabetes. Ook zijn er aanwijzingen dat regelmatig contact met natuurlijke micro-organismen het immuunsysteem ondersteunt. Natuur kan zelfs geheugenproblemen bij ouderen verminderen.

Als de gezondheidsvoordelen van natuur zo overtuigend zijn, waarom maken we daar dan nog zo weinig gebruik van in beleid en praktijk? Die vraag leidde eerst tot een onderzoeksrapport over de gezondheids- en economische waarde van natuur en vervolgens tot het nationale programma Health from Nature.

Natuur als vanzelfsprekendheid

Misschien wel het meest interessante onderdeel van de Finse aanpak is dat de verantwoordelijkheid niet uitsluitend bij burgers wordt gelegd. Veel gezondheidsbeleid draait om gedragsverandering – mensen moeten gezonder eten, meer bewegen en vaker naar buiten gaan. Het Finse programma kiest bewust voor een andere benadering. Tijdens het gesprek verwoordde Järvenpää het treffend:

“Mensen zouden vanzelf in aanraking moeten komen met de gezondheidsvoordelen van natuur.” – Marja Järvenpää

De vraag is dus vooral hoe we scholen, buurten, werkplekken en zorginstellingen zo ontwerpen dat contact met natuur een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven wordt.

Een pijnlijk voorbeeld van hoe het niet moet, zijn de versteende school- en speelomgevingen voor kinderen. Volgens Järvenpää zijn schoolpleinen vaak met asfalt bedekt en zijn er veel kinderdagverblijven en speeltuinen met speelplekken die met rubber bedekt zijn. Terwijl onderzoek juist overtuigend laat zien dat een groene leefomgeving rond huis en school samenhangt met betere mentale gezondheid op latere leeftijd. Als we weten dat natuur goed is voor kinderen, waarom ontwerpen we hun dagelijkse omgeving dan zo vaak zonder natuur?

Hetzelfde geldt voor de omgeving waarin we werken. Volgens Malve-Ahlroth zijn er veel oplossingen voor handen. Wandeloverleggen, buiten werken, groene pauzes, natuurlijke werkplekken… De uitdaging zit volgens haar ergens anders: hoe maak je dit onderdeel van de dagelijkse praktijk en van de structuur en cultuur van organisaties? Daar ligt ook een verantwoordelijkheid voor werkgevers.

Bottom-up verandering

Het Finse programma is niet ontstaan vanuit een regeringsbesluit. Het initiatief kwam van onderzoekers, kennisinstituten, zorgorganisaties, patiëntenorganisaties en andere maatschappelijke partijen die dezelfde wetenschappelijke inzichten zagen en vonden dat die meer aandacht verdienden. Inmiddels werken tientallen organisaties samen, waaronder het Finse Instituut voor Gezondheid en Welzijn, het Finse Instituut voor Arbeidsgezondheid, het Finse Milieu-instituut, de Vereniging van Finse Steden en Gemeenten, zorgverleners en Parks & Wildlife Finland.

Systeemverandering begint niet bij één organisatie of beleidsdomein, maar bij partijen die bereid zijn over hun eigen grenzen heen samen te werken.

Wat kunnen wij van de Finnen leren?

De belangrijkste les uit Finland gaat misschien niet eens over natuur, maar over de manier waarop we naar gezondheid kijken. In Nederland verdelen we gezondheid vaak over verschillende domeinen. Natuur valt onder natuurbeleid, bewegen onder sport, mentale gezondheid onder de GGZ en hittestress onder klimaatadaptatie. Het Health from Nature-programma probeert die werelden juist met elkaar te verbinden.

Niet door natuur als oplossing voor alles te presenteren, maar door een andere vraag te stellen. Niet: hoe krijgen we mensen zover dat ze gezonder gaan leven? Maar: hoe richten we onze samenleving zo in dat gezonde keuzes vanzelfsprekender worden? Dat vraagt om groene schoolpleinen, om buurten waar natuur dichtbij is en om zorginstellingen die bewoners naar de buitenlucht brengen. Maar ook om werkgevers die ruimte maken voor herstel tijdens de werkdag en om beleidsmakers die gezondheid meewegen in ruimtelijke keuzes.

De Finnen zijn nog maar net begonnen. Het programma loopt tot 2035 en veel van de ambities moeten zich in de praktijk nog bewijzen. Maar de onderliggende gedachte is relevant voor elk land dat worstelt met stijgende zorgkosten, mentale gezondheidsproblemen en een vergrijzende bevolking: gezondheid ontstaat niet in de eerste plaats in het zorgstelsel, maar in de omgeving waarin mensen elke dag wonen, leren, werken en leven.

 


 

Nature: Finland’s route to better health

In the Netherlands, we have been talking about prevention, healthy lifestyles and rising healthcare costs for years. Yet we still tend to approach health mainly through the healthcare system. We invest in health primarily when people are already experiencing problems. Finland is taking a different route, with nature playing a central role. We spoke with Marja Järvenpää (Sitra, the Finnish Innovation Fund) and Sara Malve-Ahlroth (Finnish Institute of Occupational Health) about how nature can become a structural part of health, healthcare, work and the living environment.

Mensen maken op allerlei manieren gebruik van een mooi bospark

This year, a group of Finnish organisations launched the ten-year Health from Nature programme. According to its initiators, it is the first national programme in the world to explicitly position nature as part of public health.

The health benefits of nature remain underused

Like the Netherlands, Finland is facing a growing number of people struggling with mental health problems, while the population is ageing and pressure on the healthcare system continues to increase. Other challenges, such as obesity and physical inactivity, also cost society billions of euros each year. According to Järvenpää, this is why it is time to look at health differently.

“People were already aware of the health benefits of nature and that they are not utilised that much. Of course, many of us take advantage of nature’s health benefits in our everyday lives, but if you look at the structures of society, like the healthcare system or land use planning, you can hardly see them there.”
– Marja Järvenpää

That is precisely what people and organisations behind the Health from Nature programme want to change.

Scientific evidence as a foundation

The Health from Nature programme builds on years of scientific research into the relationship between nature and health. Studies show that access to nature reduces stress, may help protect against depression, encourages physical activity and is associated with a lower risk of obesity and type 2 diabetes. There are also indications that regular exposure to natural microbes can support the immune system. Nature may even help reduce symptoms among older adults experiencing memory problems.

If the health benefits of nature are so compelling, why are they still so rarely reflected in policy and practice? That question first led to a research report on the health and economic value of nature and later to the national Health from Nature programme.

Making nature a natural part of everyday life

Perhaps the most interesting aspect of the Finnish approach is that responsibility is not placed primarily on individuals. Many public health strategies focus on behaviour change. People are expected to eat healthier, exercise more and spend more time outdoors. The Finnish programme deliberately takes a different approach. During our conversation, Järvenpää put it this way:

“People should be exposed to nature’s positive health effects without even noticing it.” – Marja Järvenpää

The question, then, is how we design schools, neighbourhoods, workplaces and care facilities in ways that make contact with nature a natural part of everyday life.

One painful example of how things often work today can be found in the yards of daycare centres and schools. According to Järvenpää, school yards are often covered by asphalt and there are many daycare centres and playgrounds with rubber-covered yards. Yet research increasingly shows that growing up in a greener environment is associated with better mental health later in life. If we know nature is good for children, why do we so often design their daily environment without it?

The same applies to the places where we work. According to Malve-Ahlroth, there is no shortage of solutions. Walking meetings, outdoor working, green breaks and nature-rich workplaces already exist. The real challenge lies elsewhere: how do we make these practices part of everyday routines and organisational culture? That is where employers have an important role to play.

Bottom-up change

The Finnish programme did not emerge from a government decree. It was initiated by researchers, research institutes, patient and healthcare associations, and other societal actors who recognised the same scientific evidence and believed it deserved greater attention. Today, multiple organisations are involved, including the Finnish Institute for Health and Welfare, the Finnish Institute of Occupational Health, the Finnish Environment Institute, the Association of Finnish Cities and Municipalities, healthcare providers, as well as Parks & Wildlife Finland.

Systemic change does not start with a single organisation or policy domain. It starts when different actors are willing to look beyond their own boundaries and work together.

What can we learn from the Finns?

The most important lesson from Finland may not even be about nature. It may be about the way we think about health. In the Netherlands, health is often divided into separate policy domains. Nature belongs to environmental policy, physical activity to sport, mental health to healthcare and heat stress to climate adaptation. Health from Nature programme is trying to connect those worlds.

Not by presenting nature as a solution to everything, but by asking a different question. Instead of asking how we can persuade people to live healthier lives, the Finns ask: how can we organise society in ways that make healthy choices easier and more natural? That means greener schoolyards, neighbourhoods with easy access to nature and care facilities that encourage residents to spend more time outdoors. It also means employers creating opportunities for recovery during the working day and policymakers taking health into account when making spatial planning decisions.

The Finns have only just begun. The programme runs until 2035 and many of its ambitions still need to prove themselves in practice. Yet the underlying idea is relevant for any country struggling with rising healthcare costs, mental health challenges and an ageing population: health does not primarily originate within the healthcare system. It is shaped by the environments in which people live, learn, work and grow older every day.



11 June 2026: Outdoor Office Day
Our conversation with the Finnish experts was made possible by Ioana Biris of Nature Desks, founder of Outdoor Office Day. She sees many connections between the Finnish approach and the international movement that promotes greater contact with nature during the working day. The goal is not simply to encourage people to work outdoors for one day each year. Rather, it is to inspire organisations to reflect on a fundamental question: how can nature, movement and recovery become a more natural part of everyday working life? More information: Outdoor Office Day

Nature Workdays / Luontotyöpäivä
Also take a look at the website of Meijän Polku, who have been dedicated to the well-being of people for over 30 years, based on nature, movement, rest, and community. Among other things, with their own Outdoor Office Day.

11 juni 2026: Outdoor Office Day

Het gesprek met de Finnen kwam tot stand dankzij Ioana Biris van Nature Desks, initiatiefnemer van Outdoor Office Day. Zij ziet veel raakvlakken tussen de Finse aanpak en de internationale beweging die zich inzet voor meer natuur tijdens de werkdag. Het doel ervan is niet om mensen één dag per jaar buiten te laten werken, maar om organisaties te laten nadenken over een fundamentele vraag: hoe kunnen natuur, beweging en herstel een vanzelfsprekender onderdeel worden van de werkdag? Meer informatie over Outdoor Office Day

Natuurwerkdagen / Luontotyöpäivä

Kijk ook eens op de website van Meijän Polku, die zich al meer dan 30 jaar inzetten voor het welzijn van mensen met als uitgangspunten natuur, beweging, rust  en gemeenschap. Onder andere met hun eigen Outdoor Office Day.


Netwerkadviseur groen
Netwerkadviseur Groen

Terug

Feestbeleid op school: geen snoep, wel álle aandacht

29 mei 2026

Joas wordt vandaag zes jaar. Dat is te zien aan de zelf geknutselde muts op zijn hoofd, versierd met dinostickers. De juf vraagt de klas om stil te zijn, dan mag Joas naar voren komen. Hij kiest hoe zijn taart op het digibord eruit ziet, welk liedje de klas zingt, wie er naast hem op tafel mag staan en welke muziek er daarna gedraaid wordt. Het wordt ´Politiekonijntje´ uit de film Zootropolis. De hele klas danst de polonaise. Joas staat op tafel met knalrode wangen.

schoolklas buitenspelen

Jarige Joas trakteert de klas op buiten verstoppertje spelen.

Tot slot mag hij de klas op een activiteit trakteren. Hij roept hard: verstoppertje! Buiten! De klas speelt drie potjes. Geen snoepzak, geen goodiebag, wel tien minuten buiten spelen, omdat de jarige dat het liefste wil. Dit is hoe een verjaardag er uit ziet op KC De Haven in Loosdrecht.

De school viert al anderhalf jaar verjaardagen zonder traktatie met snoep of koek. In plaats daarvan staat het jarige kind centraal: met keuzes, aandacht en een activiteit voor de hele klas. Een bezoek aan de school leert dat het nieuwe feestbeleid niet zonder slag of stoot is ingevoerd, maar inmiddels gewoon de standaard is.

Het besluit

Het initiatief kwam van directeur Albertine Minnigh. Toen KC De Haven anderhalf jaar geleden ontstond uit een fusie van twee scholen, zag zij de kans om een frisse start te maken. “Ik hou gewoon niet van die ratrace: groter, groter, grootst en meer, meer, het meest. Het gaat om het kind, het gaat om aandacht. Gelijkwaardigheid speelt daar ook in mee.  Ouders die het minste te besteden hadden kwamen vaak met de grootste traktaties. Ze wilden niet naar buiten treden met armoede.” Ze legde het voorstel van het nieuwe feestbeleid bij het team neer en het werd geaccepteerd. Met de kennis van nu zou ze het proces wel wat anders aanpakken: “Ik zou meer gesprekken hebben gevoerd met kinderen en ouders. Dat had het beleid niet veranderd, maar dan hadden ze de keuze misschien gelijk beter begrepen.”

Ouders die het minste te besteden hadden kwamen vaak met de grootste traktaties. Ze wilden niet naar buiten treden met armoede.

De leerkracht: wennen, maar wel blij

Leerkracht Mendel (groep 1) werkt al veertig jaar in het onderwijs. Het nieuwe beleid lost voor haar als leerkracht ook dingen op: “Er waren altijd een paar kinderen die met niets kwamen op hun verjaardag, dan moest je toch wat improviseren, nu is het gewoon duidelijk wat we doen”. Ze heeft er begrip voor dat sommige ouders het jammer vinden. Ouders nodigt ze allemaal uit om de verjaardag van hun kind samen in de klas te vieren. En dan ziet ze dat ook ouders vooral heel blij zijn met de aandacht die er voor hun kind is. Want de verjaardag wordt uitgebreid gevierd: met een versierde troon, zelfgemaakte feesthoed, vijf liedjes en een keuze uit activiteiten. “Dat de kinderen meer zelf kiezen is er echt aan toegevoegd. Ik kan zeggen, het is echt leuk om vijf te worden hier.”

De jarige Joas

De leerlingen: dubbel gevoel

Joes (groep 5) en Sam (groep 6) zijn eerlijk: ze missen de snoeptraktatie soms, maar ze begrijpen het ook wel. “Er werd super vaak achter elkaar hetzelfde getrakteerd. Dan moest je ook tegen diegene zeggen die heel blij is: ik heb geen zin om dit te eten. En dat is dan ook zielig.” zegt Sam. Joes vult aan: “Of je stopte het snel in je tas en gaf het aan je zus.” Hoewel ze natuurlijk van snoepen houden waarderen ze de spelletjes die ervoor in de plaats zijn gekomen wel. Hun advies aan andere scholen: “Gewoon niet over nadenken. Denk: ik mag een spelletje kiezen, dat is gezonder en dat is ook echt leuk.”

Of je stopte het snel in je tas en gaf het aan je zus.

De ouders: positief, met een kanttekening

Moeder Frederika ziet vooral voordelen. “Ik hoef niet meer na te denken over een traktatie in een week waarin ik toch al druk ben met een partijtje en cadeaus. Ik vind het wel belangrijk dat het wel gevierd wordt in de klas. Maar ik denk dat het vooral traditie is, dat je denkt dat trakteren daarbij hoort. Maar dat hoeft misschien helemaal niet zo te zijn. Dus dat is ook een beetje een mindswitch die je dan maakt. Dat vieren kan ook op een andere manier dan met cadeautjes uitdelen in de klas of zoetigheid eten.” Moeder Bourcu sluit zich daarbij aan en heeft ook een tip voor scholen die de stap willen zetten: “Gewoon die pleister eraf trekken. En er ook echt een moment van maken. Niet alleen een hiep hoi hoera, maar neem een voorbeeld aan hoe ze het hier doen. Met veel aandacht en plezier echt feest vieren.

De opa’s: laat kinderen toch gewoon kinderen zijn

Niet iedereen is overtuigd. Twee opa’s die hun kleinkinderen ophalen, uiten hun twijfels openlijk. “Een verjaardag moet gewoon gevierd worden. Laat een kind nou lekker een kind zijn, wat is er dan mis aan?” zegt een van hen. De ander pleit voor een middenweg: “Ik zou eerder zeggen: stel paal en perk aan wát je uitdeelt. Maar laat die kinderen uitdelen.”

Intussen zijn de kinderen van groep 2/3 weer binnen. De klas start met rekenen en Joas zit weer op zijn stoel, nog steeds met de dinostickermuts op.  Leerkracht Anne-Fleur “Ze hebben hier in de klas nooit het idee dat ze minder jarig zijn nu ze niet meer met snoep kunnen trakteren. Er is ook helemaal geen onderlinge strijd meer. Iedereen heeft eenzelfde verjaardag. Het gaat uiteindelijk om aandacht, en daar genieten uiteindelijk alle kinderen van.

De school is uit, Joas verheugt zich op zijn verjaardagsfeestje met vriendjes: schatzoeken in een kasteel in de buurt. Met taart!


Merel Steinweg schreef het artikel in opdracht van de Alliantie Kinderarmoede. Ze sprak met directeur Albertine Minnigh – van Waes, leerkracht Mendel, leerlingen Joas en Sam, moeders Frederika en Bourcu en twee opa’s.

Netwerkadviseur onderwijs

Van traktatiebeleid naar feestbeleid

Lees meer over hoe je dit aanpakt.

Contact of meer informatie?

Mail Wilfred van Alles is Gezondheid of met Karen van het Voedingscentrum.

Terug

Jongeren, gezondheid en prestaties: kijk naar het geheel

20 april 2026

Tim Huijts by Tetsuro Miyazaki

Vijf jaar geleden sprak Alles is Gezondheid met hoogleraar Mark Levels over de wisselwerking tussen gezondheid, onderwijs en werk. De kern: wie zich goed voelt, presteert beter. En een betere opleiding hangt samen met een betere gezondheid. In een vervolggesprek met hoogleraar Tim Huijts (ROA, Universiteit Maastricht) blijkt dat dit beeld nog steeds klopt, maar ook onvolledig is. Nieuw is vooral de verschuiving in denken: van losse factoren en interventies naar een integrale aanpak waarin onderwijs, gezondheid en omgeving onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Een complex web van samenhang

Gezondheid en prestaties beïnvloeden elkaar, maar niet op een eenvoudige manier. “We denken minder in termen van oorzaak-gevolg en zien meer een complex web van samenhang”, zegt Huijts. Voor de ene leerling gaan gezondheid en prestaties hand in hand, terwijl een ander goed presteert, maar zich slecht voelt. Waardoor komen die verschillen? “Dat zit hem vaak in omstandigheden: thuis, op school en in persoonlijke kenmerken zoals veerkracht of stressgevoeligheid”, aldus Huijts. Hoeveel steun en stabiliteit ervaart een kind thuis? Hoe wordt er omgegaan met verwachtingen en druk? Hoe veilig voelt een leerling zich op school? Hoeveel ruimte is er voor persoonlijke ontwikkeling? Hoeveel aandacht voor neurodiversiteit?

Juist de combinatie van factoren maakt dat dezelfde omstandigheden voor de ene leerling heel anders uitpakken dan voor de andere. Het verklaart ook waarom er geen eenduidige oplossing is.

“Wie gezondheid, welbevinden en prestaties wil verbeteren, moet kijken naar het geheel.”

Van individuele last naar gezamenlijke opgave

Die complexiteit vraagt om een andere manier van werken van wetenschappers. Onderzoek vindt steeds minder op afstand plaats en steeds vaker samen met de praktijk. “De tijd dat wij in onze ivoren toren zitten en af en toe wat resultaten uit het raam gooien, is echt wel voorbij”, zegt Huijts. In plaats daarvan worden scholen, docenten én leerlingen al vanaf het begin betrokken bij de onderzoeksopzet. Dat leidt tot andere (betere) vragen en ook tot andere conclusies en oplossingen.

Een voorbeeld van zo’n oplossing is de ontwikkeling van ‘coregulerend leren’. In plaats van alleen te focussen op het zelfregulerend vermogen van de leerling, worden docenten en ouders gezien als actieve partners die zelf ook voortdurend bijleren. De centrale vraag daarbij is: hoe pakken we dit samen aan? Het doel is om een systeem te bouwen waarin iedereen leert van de activiteiten waar ze mee bezig zijn. En ervoor te zorgen dat de ontwikkeling van alle betrokkenen in beweging blijft.

Minder toekomstperspectief, minder motivatie

Uit gesprekken met jongeren is een nieuw inzicht naar voren gekomen: toekomstperspectief is een belangrijke voorwaarde voor welbevinden. En of ze het gevoel hebben dat ze er zelf invloed op hebben. Deze factor bleef eerder onderbelicht. Jongeren denken na over werk, wonen en stabiliteit, maar ook over grotere, abstractere vragen: wie ben ik, waar ga ik naartoe? De eventuele onzekerheid die daarbij komt kijken, werkt direct door in hun gedrag op school en dus ook in hun prestaties.

“Als je geen vertrouwen hebt in de toekomst, wat doen die toetsen er dan toe?”

Toekomstperspectief is een concrete factor die bepaalt of jongeren zich inzetten, gemotiveerd blijven en zich ontwikkelen.

Mentale gezondheid onder druk

De verminderde mentale gezondheid van jongeren staat de laatste jaren sterk in de aandacht en wordt vaak in verband gebracht met de coronapandemie. Volgens Tim Huijts ligt dat genuanceerder: “Uit ons onderzoek blijkt dat de coronapandemie niet zozeer dé oorzaak was van de verslechtering van het welbevinden van jongeren, maar dat het wel een bestaande neerwaartse trend versneld heeft.”

Tegelijkertijd heeft de pandemie wel degelijk iets veranderd in de sociale dynamiek op school. Klassen werden een soort snelkookpan waarin onderlinge verhoudingen en sociale hiërarchieën na de lockdowns ineens scherp zichtbaar werden. De veelbesproken sociale media versterken die dynamiek, maar zijn volgens Huijts zeker niet de enige factor.

Wat vooral opvalt, is dat prestatiedruk steeds jonger begint. Waar dit vroeger pas echt begon te spelen op de middelbare school, zien onderzoekers dit nu al volop in het basisonderwijs. “Kinderen zijn vanaf groep 4 of 5 al bezig met toetsen en wat de resultaten ervan betekenen voor hun toekomst.” Die druk komt ook nog eens van verschillende kanten tegelijk: school, ouders en sociale omgeving.

Holistische aanpak nodig

In de praktijk wordt vaak gezocht naar concrete verbetermaatregelen, zoals smartphonebeleid. Maar volgens Huijts zijn zulke op zichzelf staande oplossingen onvoldoende. “We zien in onderzoek eigenlijk weinig verschil”, zegt hij over scholen die telefoons wel of niet toestaan in pauzes. Dat betekent niet dat het beleid helemaal geen zin heeft, maar wel dat het breder moet worden aangepakt. Een effectieve aanpak om het welbevinden van jongeren te vergroten, houdt rekening met het geheel van factoren: sociale relaties, prestatiedruk, toekomstperspectief en de omgeving waarin zij opgroeien en leren.

“Onderzoek laat zien dat het niet alleen gaat om wát je doet, maar vooral om hóe je het doet.”

Betrokkenheid van ouders blijkt daarbij zeer belangrijk. Wanneer zij meedenken en mede-eigenaar worden van schoolbeleid, ontstaat er meer draagvlak en minder weerstand.

Samen bouwen aan perspectief

De rode draad in het verhaal van Huijts is dat losse interventies niet voldoende zijn. Het gaat om samenhang, samenwerking en het versterken van het gevoel van regie bij jongeren. Huijts wil met zijn onderzoek bijdragen aan concrete handvatten voor scholen, ouders en leerlingen. “Ik wil echt weten hoe we kunnen ingrijpen in de relatie tussen welbevinden en schoolprestaties”, zegt hij.

“Hoe zorgen we ervoor dat goede prestaties samengaan met kinderen die gelukkig zijn en positief naar de toekomst kijken?”

Die vraag raakt aan een bredere beweging waarin onderwijs, gezondheid en samenleving steeds meer samenkomen.

Voor partners binnen Alles is Gezondheid ligt daar een duidelijke uitnodiging: blijf experimenteren, werk samen en deel wat werkt. Juist in verbinding ontstaat ruimte om de neerwaartse spiraal te doorbreken en jongeren meer perspectief te geven.

 


Tim Huijts is hoogleraar Positive Health at Work en verbonden aan het ROA (Research Centre for Education and the Labour Market) van de Universiteit Maastricht. In zijn onderzoek binnen deze leerstoel – mede gefinancierd door CAOP, waar Alles is Gezondheid onderdeel van is – richt hij zich onder meer op de complexe wisselwerking tussen gezondheid, welbevinden en onderwijsprestaties.

Netwerkadviseur onderwijs

Netwerkadviseur (Mentale) Gezondheid & Zorg

Terug

‘We kunnen ons hier niet uit-yogaën’

Jeroen Kemperman

Organisaties investeren massaal in vitaliteitsprogramma’s, coaching en mindfulness. Toch daalt het ziekteverzuim niet en ervaren veel mensen stress op het werk. Volgens Jeroen Kemperman ligt het probleem niet bij de inzet, maar bij de aanpak. Hij houdt zich als Senior Manager Strategy, Business Development en Duurzaamheid bij Zilveren Kruis (Achmea) al jaren bezig met de vraag hoe gezondheid ontstaat en wat organisaties daarin kunnen betekenen. Tijdens het Landelijke Congres Mentale Gezondheid van Missie Mentaal op 4 juni gaat hij hierover in gesprek. Zijn belangrijkste inzicht: als we (mentale) gezondheid echt willen verbeteren, moeten we anders kijken naar werk. Want werk kan mensen uitputten, maar juist óók versterken.

Van gezondheid naar wellbeing

Als we het over gezondheid hebben, denken we vaak aan zorg of aan leefstijl: voeding, beweging, slaap en ontspanning. Maar volgens Kemperman is dat maar een deel van het verhaal. De omgeving en context bepalen in hoge mate hoeveel ruimte mensen ervaren om gezond te leven. Daarom gebruikt hij liever de bredere term wellbeing. Die gaat over fysieke en mentale gezondheid, maar ook over de omstandigheden waarin mensen leven en werken.

Naast gezondheid, spelen nog twee andere factoren een grote rol bij wellbeing: bestaanszekerheid en floreren. Denk bij bestaanszekerheid aan autonomie, psychologische veiligheid en financiële zekerheid. “Als die basis ontbreekt, lekt er veel energie weg en wordt het moeilijker om gezonde keuzes te maken”, zegt Kemperman.

Bestaanszekerheid vormt het fundament om te kunnen werken aan je gezondheid.”


Floreren gaat over je kunnen ontwikkelen, iets doen wat betekenis heeft en je verbonden voelen met anderen. Het zit niet alleen in grote, abstracte doelen, maar juist ook in het dagelijks werk: ergens beter in worden, gezien worden in wat je doet en ervaren dat jouw bijdrage ertoe doet.

De combinatie van factoren bepaalt uiteindelijk hoe mensen zich voelen, hoe ze functioneren en hoeveel energie ze hebben. “Als je bestaanszekerheid en gezondheid op orde hebt, maar het werk is niet interessant en zinvol en je hebt geen fijne collega’s, dan zijn mensen minder productief dan ze zouden kunnen zijn.”

Van losse interventies naar anders organiseren

Veel organisaties proberen gezondheid te verbeteren met goedbedoelde, maar losse interventies. Denk aan coaching, mindfulness of sportprogramma’s zoals bedrijfsfitness en bedrijfsyoga. Maar daarmee lossen ze het onderliggende probleem niet op. Bovendien bereik je met zulke interventies vooral mensen die hier al mee bezig zijn. Juist de groep die het meest gebaat is bij verbetering, wordt vaak niet bereikt. Door werk anders in te richten, bereik je wel iedereen.

“Als je mensen overdag continu onder druk zet en vooral op productiviteit stuurt, is stress het logische gevolg. Dat kun je achteraf niet zomaar wegpoetsen.”

Het probleem zit volgens Kemperman in hoe werk is ingericht: werkdruk, roosters, autonomie, samenwerking en de manier waarop leiding wordt gegeven. Dáár wordt gezondheid gemaakt of juist ondermijnd. Zolang die basis niet klopt, blijft elke interventie een pleister op de wond.

Daar ligt tegelijk ook de grootste kans. Werkgevers zouden zich bijvoorbeeld moeten afvragen: krijgen medewerkers de ruimte om zich te ontwikkelen? Voelen ze zich gezien en ervaren ze verbinding met collega’s? Juist daar ontstaat het verschil tussen functioneren en floreren.

Werk als bron van gezondheid

Werk hoeft helemaal niet slecht te zijn voor je gezondheid. Sterker nog: werk kan juist een belangrijke positieve rol spelen. “Mensen die werken, gaan bijvoorbeeld gemiddeld maar half zo vaak naar de huisarts ten opzichte van mensen die niet werken”, zegt Kemperman. Dat is geen bewijs dat werk per definitie gezond maakt, maar wel een aanwijzing dat werk – mits goed ingericht – een positieve rol kan spelen. Werk biedt immers structuur, sociale contacten en een gevoel van betekenis.

Hoofd en hart verbinden

In veel organisaties wordt gestuurd op cijfers, KPI’s en protocollen. Tegelijk voelen veel leidinggevenden intuïtief wel aan wat goed is voor mensen. “Ik denk dat de meeste werkgevers vanuit hun hart wel willen dat de mensen die voor hen werken plezier hebben in hun werk”, zegt Kemperman. De uitdaging is om dat gevoel (hart) te verbinden met de manier waarop ze sturen en besluiten nemen (hoofd).

“Als je stuurt op productiviteit, verlaag je wellbeing. Maar als je stuurt op wellbeing, verhoog je productiviteit.”


Door wellbeing ook te meten en door te rekenen naar effecten op productiviteit, verzuim en verloop, wordt inzichtelijk wat het oplevert. Zilveren Kruis heeft voor het boek ‘Wellbeing in Business’ samen met de Erasmus Universiteit een impactmodel ontwikkeld. Daarmee kan voor de eigen organisatie worden berekend wat een betere score op verschillende wellbeing-domeinen oplevert. ”De echte waarde zit voor gemiddeld 80 procent in hogere productiviteit. Hiermee verschuift gezondheid en welbevinden van een goedbedoeld HR-thema naar een strategisch vraagstuk voor de hele organisatie”, vertelt Kemperman. Relatief kleine aanpassingen kunnen daarbij al grote impact hebben. Bijvoorbeeld meer autonomie in werktijden, wandelend overleggen of routinematige werkprocessen uitbesteden aan AI.

Kantelpunt

Volgens Kemperman staan we als samenleving op een kantelpunt. Klanten of kapitaal zijn niet langer het meest schaars, maar mensen. Dat vraagt om een andere manier van organiseren en sturen. “Organisaties die blijven drukken op productiviteit zonder oog voor wellbeing, komen in een neerwaartse spiraal terecht. Wie inzet op wellbeing, ziet juist het tegenovergestelde effect.”

Die verschuiving stopt niet bij de organisatie zelf. Want werk is maar één van de plekken in ons dagelijks leven waar gezondheid kan ontstaan. Daarom is samenwerking tussen organisaties, overheden en andere domeinen nodig om echt verschil te maken.

Tijdens het Landelijke Congres Mentale Gezondheid van Missie Mentaal op 4 juni gaat het precies hierover. Hoe overbruggen we de kloof tussen hoofd en hart, tussen systeem en mens, tussen werk en gezondheid? En vooral: wat kunnen we morgen anders doen?

Kom je ook?

 


Jeroen Kemperman schreef samen met Dilia Leitner, Nisha Alberts en Mirande Groener het boek ‘Wellbeing in business’, waarin ze beschrijven hoe organisaties werk mensgericht kunnen organiseren, met veel meer aandacht voor gezondheid, bestaanszekerheid en floreren.

Van links naar rechts Dilia Leitner, Nisha Alberts, Jeroen Kemperman en Mirande Groener - auteurs van Wellbeing in Business

Van links naar rechts: Dilia Leitner, Nisha Alberts, Jeroen Kemperman en Mirande Groener – auteurs van Wellbeing in Business.

4 juni: Landelijk Congres Mentale Gezondheid

We verkennen en bestendigen de overbruggingen die nodig zijn voor een mentaal veerkrachtiger Nederland. Dit doen we onder meer via ontmoeting, sprekende voorbeelden en verbinding. Kom ook naar dit congres van Missie Mentaal!


Netwerkadviseur (Mentale) Gezondheid & Zorg

Terug

De omslag naar preventie: klein beginnen, groot organiseren

31 maart 2026

Portretfoto Alja Sluiter

Iedereen is vóór preventie. Toch blijft het in de praktijk vaak steken in plannen en pilots. Volgens huisarts, leefstijlarts en bestuurder Alja Sluiter ligt dat niet aan gebrek aan kennis, maar aan hoe we het systeem hebben ingericht. Alja is ook docent en ambassadeur van de Vereniging Arts en Leefstijl. Tijdens het webinar over natuur en gezondheid op 6 mei bespreekt ze de toolkit ‘Natuur voor gezondheid’. In aanloop daarnaartoe spraken we haar over preventie en de rol die natuur daarbij kan spelen. “Te vaak gaat het over bekostiging: wat levert het op in geld? Terwijl leefstijl en preventie eigenlijk moeten gaan over wat het ons maatschappelijk brengt.”

Chips en cola als ontbijt

Sluiter zag al vroeg dat gezondheid op allerlei manieren versterkt kan worden. Zo wist haar opa zijn diabetes af te wenden met aanpassingen in zijn leefstijl – waaronder ontbijt met havermout en karnemelk – en leerde ze van hem als kind al hoe helend de natuur kan zijn.

Later, tijdens haar opleiding, kwam ze in aanraking met een casus van een dementerende patiënt die nog een zware heupoperatie kreeg.

“Toen dacht ik: waar zijn we nou eigenlijk mee bezig?”

Terwijl ze de patiënt in het operatiebed zag liggen, realiseerde ze zich dat deze persoon waarschijnlijk veel meer gebaat zou zijn bij rust in de eigen vertrouwde omgeving in plaats van een zware ingreep. Ze vond het een schrijnend voorbeeld van ‘onbezielde zorg’ die niet meer werkelijk bijdroeg aan de kwaliteit van leven.

In haar eigen huisartsenpraktijk sprak ze een jong kind dat elke ochtend ontbeet met chips en cola en al zwarte tandjes had. Ze bedacht dat ze op dat moment keek naar een kind dat over 20 of 30 jaar een nieuwe diabetespatiënt zou zijn of een hoog risico zou lopen op hart- en vaatziekten.

Het zijn zulke voorbeelden uit de praktijk die haar motiveren om zich onvermoeibaar in te zetten als boegbeeld voor een gezonder Nederland door haar boodschap via alle denkbare kanalen te verspreiden (waaronder een podcast).

Gezondheid als regionale opgave

Volgens Sluiter zit de kern van het probleem in hoe we zorg organiseren en financieren. “We besteden 95 procent van onze zorgkosten aan de laatste levensfase. Die investering zou eigenlijk aan de voorkant moeten zitten.” Daarbij sturen we met ons zorgsysteem vooral op de korte termijn en individuele medische verrichtingen, terwijl gezondheid over de lange termijn gaat en een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Zorg, sociaal domein en leefomgeving werken nog te veel als eilandjes naast elkaar.

“Gezondheid creëren we niet in de spreekkamer, waar ik patiënten misschien maar twee uur per jaar zie. Het gebeurt daarbuiten.”

Volgens haar vraagt dat om een fundamenteel andere benadering: meer uitzoomen, meer samenhang en andere financiële prikkels. Niet per medische verrichting betalen, maar sturen op gezondheid in een regio. En gezondheidsbeleid dat langer meegaat dan één kabinetsperiode.

Ze pleit voor netwerkzorg: een systeem waarin regio’s gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen voor gezondheid, met één budget en duidelijke langetermijndoelen zoals minder diabetes en overgewicht. Alleen zo bestrijd je volgens haar effectief versnippering en werk je echt samen aan een gezondere samenleving.

Vijf keer per week frituren is óók winst

Het systeem veranderen kost tijd. Maar dat betekent niet dat je moet wachten. Juist de beweging van onderop is essentieel. “Je hebt ongeveer 30 procent van de organisaties en zorgprofessionals nodig om het te laten vliegen.” Voor professionals begint dat in de dagelijkse praktijk, met kleine stappen en andere gesprekken. Sluiter noemt een voorbeeld uit haar eigen praktijk van iemand die zeven keer per week frituurt. “Dan zeg ik niet: je moet stoppen met frituren. We kijken samen wat haalbaar is. Dan wordt het vijf keer per week. En dat is ook winst en dus een compliment waard.”

De sleutel zit volgens Sluiter in aansluiten bij de leefwereld van mensen, in bouwen aan sociaal kapitaal. Zeker bij groepen met een lage sociaaleconomische positie (SEP) die vaak in de ‘overlevingsstand’ staan. Niet oordelen, maar kijken wat kan. Kleine veranderingen die vol te houden zijn. “Gedragsverandering kost tijd, zeker in een lastige situatie.”

Alja in een groene omgeving

Natuur als vast onderdeel van gezondheid

Een van de meest concrete ingangen voor preventie is natuur. Niet als luxe, maar als onderdeel van gezondheid.

“Wij staan niet los van natuur, wij zijn natuur.”

Dat vraagt wel om een bredere definitie. Natuur is niet alleen een bos of duingebied, maar bijvoorbeeld ook een park of water in de stad. Voor veel mensen is een regelmatige boswandeling niet haalbaar, maar een rondje buiten wandelen wel. “Al is het maar tien minuten, dat levert al aantoonbare gezondheidswinst op.”

In de praktijk begint dat met eenvoudige vragen stellen. Bijvoorbeeld: wanneer was je voor het laatst buiten? Van daaruit ontstaan gesprekken en kleine, haalbare stappen.

Sluiter vertelt dat het wetenschappelijke bewijs voor de kracht van natuur gelukkig steeds sterker wordt. Heel belangrijk bij het overtuigen van financiers en beleidsmakers en het bestrijden van gezondheidsmythes.

Terug naar de basis van geneeskunde

Volgens Sluiter is haar manier van kijken naar gezondheid niet nieuw. In de eed van Hippocrates zit preventie al besloten: “Voeding is het beste medicijn, bewegen is belangrijk voor gezondheid.” Die basis is lange tijd naar de achtergrond verdwenen, maar komt nu terug in opleidingen en de praktijk. Steeds meer zorgprofessionals leren om breder te kijken dan alleen naar ziekte en genezing.

Hoewel verandering langzaam gaat, is ze optimistisch. “Er gebeuren hele mooie dingen. Steeds meer mensen omarmen preventie.” Juist als bottom-up initiatieven en top-down beleid elkaar versterken, ontstaat beweging. Sluiter pleit voor een Deltaplan voor Preventie, om gezondheid duurzaam te verankeren in de samenleving.

“Als alle partijen die zich hard maken voor preventie samen gaan werken, ontstaat er echt iets magisch.”

De kennis is er, de voorbeelden zijn er en de beweging groeit. De vraag is niet óf preventie werkt, maar of we het samen structureel durven te organiseren.

 



Zelf aan de slag met natuur en gezondheid?

De wetenschappelijke onderbouwde handleiding en toolkit ‘Natuur voor gezondheid’ helpen je om dit concreet toe te passen in je werk. Ook kun je deelnemen aan het geaccrediteerde
webinar op 6 mei, waarin de vertaalslag naar de praktijk centraal staat.

De handleiding en toolkit zijn ontwikkeld door Annette Postma (Gezond & Groen) in samenwerking met Jolanda Maas (Vrije Universiteit Amsterdam), Vereniging Arts en LeefstijlAlles is Gezondheid en diverse groene zorg- en gezondheidspartners.

Zelf aan de slag met natuur en gezondheid?

De wetenschappelijke onderbouwde handleiding en toolkit ‘Natuur voor gezondheid’ helpen je om dit concreet toe te passen in je werk.

Bekijk toolkit

Webinar 'Natuur en Gezondheid: de impact van natuur op lichaam en geest'

De natuur kan bijdragen aan een gezonde leefstijl en positieve gezondheidseffecten hebben bij vele patiëntgroepen. Hoe dat zit en wat jij vanuit jouw professie zelf en samen met anderen kunt doen, leer je tijdens deze online scholing op 6 mei 2026. Alja Sluiter is een van de docenten.

Terug

Vertragen, verbinden en betekenis vinden

27 maart 2026

Verslag Symposium Mentale Gezondheid en Zingeving

Vanaf het moment dat we opgroeien, krijgen we verhalen aangereikt over hoe een goed leven eruit zou moeten zien: over succes, prestaties en zekerheid. Verhalen die richting kunnen geven, maar ons soms ook ongemerkt vastzetten. Onderweg komen veel mensen op een punt waarop het leven niet alleen vraagt om beter functioneren, maar om iets diepers: de vraag naar zingeving. Wat gebeurt er wanneer het leven schuurt, zekerheden wankelen en het verhaal dat ooit logisch leek niet meer past?

Steeds vaker zien we dat echte verandering niet alleen van buiten komt, via interventies, protocollen of systemen, maar van binnen begint. Met aandacht, reflectie en de moed om een knellend verhaal los te laten. Mentale gezondheid berust daarbij op drie fundamentele pijlers: belonging (verbondenheid), agency (invloed en richting) en meaning (zingeving). Vanuit die gedachte organiseerden we op 14 maart het symposium Mentale Gezondheid en Zingeving.

Antropia stroomde vol met professionals, belangstellenden en jongeren. De sfeer was open en nieuwsgierig; nog vóór het programma begon, ontstonden de eerste gesprekken. Na een symbolische gong opende dagvoorzitter Wico Mulder de dag. Stembevrijder Erica Nap zorgde vervolgens voor een verbindende start: wat begon als luisteren, eindigde in samen zingen.

Carlo Leget – Zingeving in een hypernerveuze samenleving

Carlo Leget, initiatiefnemer centrum voor rouw en existentiële waarden, professor zorgethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, nam ons mee in de vraag in wat voor wereld we leven. Hij verkende zingeving langs drie lagen: begrijpelijkheid, hanteerbaarheid en betekenis (Antonovsky), het onderscheid tussen alledaagse en diepere betekenis (Crystal Park), en de existentiële laag waarin vragen rond lijden, vrijheid en eenzaamheid opkomen.

Tegelijk schetste hij het beeld van een ‘hypernerveuze samenleving’, waarin individualisme, prestatiedruk en voortdurende versnelling ons onder druk zetten. Met het werk van Hartmut Rosa introduceerde hij het begrip resonantie: zingeving ontstaat niet door controle of optimalisatie, maar via een wederkerige, betekenisvolle relatie tussen mens en wereld.
Zijn analyse: hoe meer we de wereld proberen te beheersen en efficiënt te maken, hoe meer we de verbinding ermee verliezen — met anderen, met de tijd en met onszelf. Zingeving ontstaat in relatie; vertraging, verbinding en openheid voor wat ons raakt zijn voorwaarden voor mentale gezondheid.

Richard Hoofs – Zingeving als medicijn

Richard Hoofs, huisarts en holistisch coach holistische en auteur: ‘Bezield leven op doktersrecept’, bracht zingeving terug naar de spreekkamer met de vraag: wat als we zingeving letterlijk op doktersrecept zouden zetten? Hij liet zien dat zingeving een krachtige leefstijlfactor is, met effecten op fysieke en mentale gezondheid, levensduur en veerkracht. Waar leefstijlpijlers als voeding en beweging vanzelfsprekend zijn, blijft zingeving vaak onderbelicht.

Hoofs onderscheidt vier bronnen van zingeving: relaties, persoonlijke groei, spiritualiteit en ‘kippenvelmomenten’ — momenten waarop we ons diep geraakt voelen. Zijn ervaringen, van een gevangenis tot het platteland van India, illustreren dat mentaal welzijn eerder afhangt van betekenisgeving dan van omstandigheden.
Gezondheid gaat niet alleen over wat je doet, maar over waarvoor je het doet.

Workshops: verdieping verwondering

Na de korte film Always look on the bright side verraste musicus Reinier Sijpkens de zaal met een speelse muzikale ervaring. Met bellen, klanken en verwondering ontstond precies waar de dag over ging: resonantie. De verdiepende workshops lieten zien dat zingeving zich niet laat vangen in één definitie of discipline.

Anke Liefbroer – Zingeving begrijpen en bespreekbaar maken

Anke Liefbroer, bijzonder hoogleraar Tilburg University, die de relatie tussen zingeving en mentaal welzijn onderzoekt, liet zien dat mentale gezondheid onder druk staat en dat zingeving daarin een steeds belangrijkere, maar nog onvoldoende begrepen rol speelt. Ze introduceerde een kader met vier dimensies van zingeving: purpose (doelgerichtheid), significance (ertoe doen), coherence (samenhang) en belonging (verbondenheid).

In een samenleving waarin religie minder vanzelfsprekend is, ontstaat een meer persoonlijke zoektocht naar betekenis. Haar oproep aan professionals: zingeving is niet alleen het domein van geestelijk verzorgers, maar een gedeelde verantwoordelijkheid.

Kwetsbare Held

Het gesprek vraagt geen pasklare antwoorden, maar aandacht, nieuwsgierigheid en écht luisteren. Iets dat De Kwetsbare HeldWout van Wengerden 100% onder de knie heeft en daarmee de zaal ontroerde en raakte.

Tot slot

Mentale gezondheid en zingeving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zingeving is daarbij geen extra thema, maar een fundament. In een tijd van versnelling, prestatiedruk en individualisering ligt de uitnodiging misschien wel in het tegenovergestelde: in vertragen, verbinden en opnieuw leren luisteren naar het verhaal dat ons raakt.

Meedenken en doen? Neem contact met ons op.

Met Missie Mentaal zetten we ons in voor mentale veerkracht en organiseren we o.a. De Week van de Mentale Gezondheid. Meer weten en meedoen?

Netwerkadviseur (Mentale) Gezondheid & Zorg
Communicatieadviseur - verhalenmaker

Terug

Wat meiden ons leren over duurzaam bewegen

23 maart 2026

De ambitie om Nederland in beweging te brengen is breed gedeeld. Maar wie goed kijkt, ziet dat niet iedereen dezelfde toegang heeft tot sport en bewegen. Voor mbo-meiden is de openbare ruimte bijvoorbeeld geen vanzelfsprekende plek om actief te zijn. Dat blijkt uit onderzoek van Sportservice Flevoland. De belangrijkste les: duurzame sport- en beweegparticipatie begint bij goede randvoorwaarden. En voor deze doelgroep staat veiligheid daarbij bovenaan.

Meiden sporten in de openbare ruimte op fitnesstoestellen in een park.

Veiligheid fundamenteel voor gezondheid

Uit het onderzoek onder mbo-meiden (15 tot 18 jaar) blijkt dat gevoelens van onveiligheid een directe invloed hebben op beweeggedrag. Het gaat daarbij niet alleen om fysieke veiligheid, maar juist ook om sociale veiligheid: bekeken worden, ongewenste aandacht en de dominantie van jongensgroepen op veel sportplekken. Zonder een veilige basis haken veel meiden af en wordt bewegen geen vanzelfsprekend onderdeel van hun leven.

Meer dan hardware

In beleid en praktijk ligt de nadruk vaak op voorzieningen: veldjes, routes, toestellen. Maar een beweegvriendelijke omgeving is meer dan ‘hardware’. Volgens inzichten van onder andere Kenniscentrum Sport & Bewegen gaat het om een samenhang van fysieke inrichting, programmering en sociale context. Voor duurzame participatie betekent dat: aansluiten op behoeften van gebruikers, zorgen voor sociale veiligheid en herkenning, en bouwen aan eigenaarschap in de wijk.

Voor meiden vertaalt zich dat naar plekken waar ze zich welkom voelen, in een omgeving waarin ze zich niet beoordeeld of bekeken voelen. Ze bewegen bij voorkeur samen met vriendinnen en hebben vaak behoefte aan activiteiten die laagdrempelig en niet prestatiegericht zijn. Daarbij is er ruimte nodig voor vrijheid en eigen invulling. Juist die combinatie maakt dat ze meer en vaker bewegen in de openbare ruimte, en dat het niet bij één keer blijft.

Co-creatie: ontwerp met in plaats van voor

Een belangrijke aanbeveling uit het onderzoek van Sportservice Flevoland is om meiden actief te betrekken bij het ontwerp en gebruik van de openbare ruimte. Niet als onderzoeksdoelgroep, maar als mede-ontwerper. Dat vraagt een andere rol van gemeenten, buurtsportcoaches en welzijnsorganisaties: minder top-down, meer samen ontwikkelen.

Tijdens een brainstorm over dit thema, waar ook Alles is Gezondheid bij betrokken was, kwam precies dit punt naar voren. Door samen met jongeren te ontwerpen, ontstaan plekken die beter aansluiten, vaker gebruikt worden en daarmee duurzaam bijdragen aan gezondheid.

Niet alleen de openbare ruimte aanpakken

In het maatschappelijk gesprek over dit onderwerp wordt duidelijk dat het niet alleen gaat om het creëren van de juiste voorwaarden. Onveiligheid hangt nauw samen met sociale normen en gedrag. Vrouwen en meisjes passen zich nu vaak aan, bijvoorbeeld door plekken te vermijden, terwijl het gedrag van jongens en mannen veel minder ter discussie staat.

Duurzame verandering vraagt daarom om een aanpak op twee sporen: belemmeringen direct wegnemen met toegankelijke activiteiten, zichtbaarheid en inclusieve plekken, maar zeker óók werken aan gedrag in de openbare ruimte, met name van jongens en mannen.

Voor professionals in gezondheid, sport en het sociaal domein ligt hier een duidelijke kans: werk samen, betrek jongeren actief en kijk verder dan alleen het aanbod.

 


Lees hier het uitgebreide artikel over dit onderwerp van Sportservice Flevoland. O.a. over de achterliggende barrières en oorzaken van gevoelens van onveiligheid, met concrete aanbevelingen voor gemeenten, buurtsportcoaches en welzijnsorganisaties.

Netwerkadviseur onderwijs

Lees hier een uitgebreider artikel

‘Meiden in de openbare ruimte – Veiligheid en zelfvertrouwen als sleutel tot actieve meiden in de openbare ruimte’

Terug

Poepen op school? Dacht het niet!

19 maart 2026

De helft van de leerlingen van basisscholen en middelbare scholen poept (bijna) nooit op school-wc’s. Te vies, te onveilig, te weinig privacy. Dit zogenoemde ‘ophoudgedrag’ kan zelfs leiden tot medische problemen.

schooltoiletten

Naar de wc op school voor de grote boodschap? Dat doen leerlingen liever niet, blijkt uit een representatief onderzoek onder 1000 basis- en middelbare scholieren van MDL Fonds. Bijna de helft van de scholieren heeft klachten als gevolg van dat ‘ophoudgedrag’, zoals buikpijn of verstopping. Kinderartsen van het Kinderbuikcentrum van Amsterdam UMC waarschuwen dat langdurig ophouden kan leiden tot ernstige verstopping, buikpijn en misselijkheid. Er kan zelfs incontinentie en overloopdiarree ontstaan. Mariël Croon, directeur van MDL Fonds:

“Dit heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van kinderen. In vrijwel iedere schoolklas zijn één of twee kinderen die hierom naar een dokter moeten.”

Stinkende voegen en tegels

Hoe komt het dat kinderen en leerlingen niet willen poepen op school? De belangrijkste reden is dat schooltoiletten niet schoon genoeg zijn. Ruim vier van de tien leerlingen geeft de hygiëne van schooltoiletten een onvoldoende. Uit een GGD-onderzoek, dat in opdracht van MDL Fonds is uitgevoerd, blijkt dat er vaak stinkende tegels en voegen zijn op schoolwc’s. Op slechts 7 van de onderzochte 50 scholen worden de toiletten twee keer per dag schoongemaakt, terwijl dat de basisnorm is. Opsteker is wel dat op scholen met een eigen schoonmaker de wc’s consequent als ‘schoon’ worden beoordeeld.

Pestgedrag

Een ander probleem is dat veel wc-hokjes niet volledig afgesloten zijn. Slechts 40 procent van de deuren en 36 procent van de tussenwandjes van school-wc’s sluiten tot de grond. De rest is aan de onderzijde open. Geluiden zijn dan goed hoorbaar en ook luchtjes kunnen zich gemakkelijk verspreiden. Dat maakt leerlingen extra terughoudend. Soms ontstaat daardoor ook pestgedrag:

Leerlingen worden op Snapchat “schijterd van de dag” genoemd.

Op middelbare scholen zijn er nog andere problemen. Soms wordt daar gerookt en gevapet op de toiletten. Verder zijn er op middelbare scholen gemiddeld minder toiletten per leerling en zijn er vaak strenge regels over het gebruik van de wc tijdens de lessen.

Leerlingen met een MDL-aandoening

Voor leerlingen met een MDL-aandoening (aandoening aan maag, darm en/of lever) is het helemaal lastig. Zij hebben eerder last van plotselinge aandrang of ongelukjes. Scholen hebben op basis van de zorgplicht de verantwoordelijkheid om leerlingen veilige sanitaire voorzieningen te bieden, of door te verwijzen naar een school binnen de regio die deze zorg kan bieden. Leerlingen mogen niet worden geweigerd vanwege medische aandoeningen die toiletgebruik bemoeilijken.

Verbeteren kan vandaag al

Er valt dus wel wat te verbeteren op de school-wc’s. MDL Fonds pleit voor: wc’s die meermalen per dag gecontroleerd en gereinigd worden, bij voorkeur met middelen die geur tegengaan. Stinkende oude tegels en voegen kunnen gereinigd worden met enzymen. Meer privacy en veiligheid is ook nodig, met dichte deuren en stevige wanden met een noodknop voor de veiligheid, ventilatie en vape-detectors.

Dat alles kan natuurlijk niet van de ene op de andere dag, maar er zijn ook maatregelen die scholen meteen kunnen nemen. Goed voorbeeld is het loslaten van strikte regels over toiletbezoek tijdens de les. Een darm laat zich niet beperken tot een vaste tijd – en buiten de pauzes om is er meer rust en privacy op de wc’s. Overweeg verder een meldsysteem voor vieze toiletten, bijvoorbeeld via een QR-code of een melding bij de conciërge.

 


Teken de petitie voor schonere school-wc’s
MDL Fonds is een petitie gestart om de politiek te vragen om schonere school-wc’s mogelijk te maken. Zet ook je handtekening!

Petitie

Netwerkadviseur onderwijs

Teken de petitie voor schonere school-wc’s

MDL Fonds is een petitie gestart om de politiek te vragen om schonere school-wc’s mogelijk te maken. Zet ook je handtekening!

Terug

Laat jongeren meebeslissen over hun leefomgeving

6 maart 2026

Kinderen en jongeren een stem geven in lokaal beleid is essentieel voor een gezonde samenleving. Het is hun recht om invloed te kunnen uitoefenen op hun leefomgeving. Wanneer jongeren actief worden betrokken bij beslissingen, versterkt dat niet alleen hun gevoel van eigenaarschap, maar ook hun mentale en sociale gezondheid. Daarom heeft Alles is Gezondheid zich aangesloten bij de Landelijke alliantie kinder- en jongerenparticipatie, die gemeenten oproept om jongeren te betrekken bij de formatie na de gemeenteraadsverkiezingen van 2026.

Wat de beweging doet

De alliantie – bestaande uit onder meer de NJR, VNG, Save the Children, UNICEF Nederland, De Kiesmannen en Jimmy’s – streeft ernaar dat jongeren niet alleen meepraten, maar ook structureel betrokken worden bij besluitvorming over hun leefomgeving. Gemeenten krijgen hiervoor praktische handvatten, zoals een modelmotie, stappenplannen en werkvormen om jongerenraden, scholen en andere groepen te betrekken.

Download toolkit Download handreiking

 

Jongeren horen aan de formatietafels

De alliantie streeft naar een samenleving waarin:

  • kinderen en jongeren hun recht op participatie kennen;
  • zij weten hoe zij zich kunnen organiseren voor verandering;
  • overheden participatie structureel hebben geborgd in hun processen;
  • beleidsmakers over de juiste kennis en best practices beschikken.

Onze rol: verbinden

Alles is Gezondheid is één van de partners in deze samenwerking. We brengen het onderwerp onder de aandacht binnen ons netwerk en verbinden organisaties die hier lokaal mee aan de slag willen. Daarmee dragen we bij aan de bredere beweging naar een samenleving waarin gezondheid, leefomgeving en beleid samen met inwoners – dus ook jongeren – worden vormgegeven.

Doe ook mee

Voor partners in het netwerk van Alles is Gezondheid liggen hier kansen:

  • Kijk hoe jongerenparticipatie in jouw regio al gebeurt en of dit veilig en betekenisvol is voor de jongeren zelf.
  • Sluit aan bij gesprekken met gemeenten en pleit voor een brede vertegenwoordiging, bijvoorbeeld door naast jongerenraden ook te werken met willekeurige loting.
  • Deel kennis en ervaringen, zodat we samen de beweging richting een gezonde generatie versterken.

Wij doen mee, jij ook?

Netwerkadviseur onderwijs

Speaking Minds

In het programma Speaking Minds van Save the Children brengen jongeren zelf advies uit aan beleidsmakers.

Jongeren bedenken zelf oplossingen

Dankzij een samenwerking tussen Speaking Minds en JOGG bedenken jongeren zelf oplossingen voor een gezondere leefomgeving.

Terug

MooiMaasvallei toont kracht van regionale samenwerking

5 maart 2026

In de regio Noordelijke Maasvallei werken organisaties al jaren samen aan een andere manier van kijken naar gezondheid en zorg. Het samenwerkingsverband MooiMaasvallei zet in op een brede aanpak waarin inwoners, zorg, welzijn, gemeenten, scholen en andere partners samenwerken aan een gezonde regio. Recent onderzocht Universiteit Utrecht (USBO advies) deze aanpak en de resultaten van het regionale gezondheidsnetwerk. Het onderzoek laat zien hoe de samenwerking zich ontwikkelt en welke lessen daaruit te halen zijn voor verdere ontwikkeling van het netwerk.

Download onderzoeksrapport

 

Werken aan gezondheid van inwoners

De regio Noordelijke Maasvallei staat, net als veel andere regio’s in Nederland, voor grote uitdagingen. Door vergrijzing en personeelstekorten neemt de druk op de gezondheidszorg toe. Om daar mee om te gaan werken partijen samen aan een duurzame transformatie van welzijn en zorg. Het doel: de gezondheid van inwoners bevorderen en tegelijk de druk op zorg en arbeidsmarkt verminderen.

 

In de aanpak van MooiMaasvallei werken professionals uit verschillende domeinen steeds meer samen. Daarbij ligt de nadruk op het voorkomen van zorg, het versterken van zelfredzaamheid en het slim organiseren van capaciteit. Dit past bij een bredere omslag in denken: van een systeem dat vooral is ingericht op ziektezorg naar een benadering waarin gezondheid en de vraag van inwoners centraal staan.

De samenwerking heeft inmiddels concrete resultaten opgeleverd. Zo zijn er in de regio bijna 100 zogenoemde voorzorgcirkels ontstaan waarin inwoners naar elkaar omzien en elkaar ondersteunen. Ook stemmen wijkverpleegkundigen dagelijks af om wachttijden te voorkomen en werkt de specialist ouderengeneeskunde nauw samen met huisartsen in de wijk om acute zorgvragen te voorkomen.

Verbonden aan Alles is Gezondheid

De regio Noordelijke Maasvallei is al langer verbonden aan het netwerk van Alles is Gezondheid. Het Platform MooiMaasvallei en het Netwerk Positieve Gezondheid Noordelijke Maasvallei ondertekenden eerder een pledge waarin zij zich verbinden aan de missie van Alles is Gezondheid: samen werken aan een gezonder Nederland.

Met deze pledge spraken partners de ambitie uit om gezondheid breder te benaderen en te werken vanuit het gedachtegoed van Positieve Gezondheid. Het doel: dat organisaties, professionals en inwoners in het Land van Cuijk en de kop van Noord-Limburg vanuit dit concept gaan denken en werken.

Binnen het netwerk van Alles is Gezondheid ontwikkelde de Noordelijke Maasvallei zich zo tot een regionetwerk waarin partijen elkaar opzoeken, kennis delen en samen werken aan nieuwe manieren van organiseren rond gezondheid.

Land van Cuijk

Samen leren in regionale netwerken

Regionetwerken spelen een belangrijke rol binnen Alles is Gezondheid. Ze brengen partijen uit verschillende domeinen bij elkaar en maken het mogelijk om regionaal te experimenteren met nieuwe vormen van samenwerking rond gezondheid en welzijn.

De ervaringen uit de Noordelijke Maasvallei laten zien wat er kan ontstaan wanneer organisaties, professionals en inwoners zich gezamenlijk verbinden aan een brede kijk op gezondheid. Het onderzoek van de Universiteit Utrecht (‘MooiMaasvallei: Koploper in de transitie naar regionale gezondheidsnetwerken. Succesprincipes en geleerde lessen’) maakt die aanpak en de lessen daaruit zichtbaar.

Volgens de onderzoekers gaat het succes niet alleen over structuur of organisatie. Factoren als onderling vertrouwen, een lange gezamenlijke historie en sterk sociaal kapitaal spelen een belangrijke rol. Ook blijkt het essentieel dat professionals ruimte krijgen voor reflectie en dat samenwerkingspartners leren omgaan met onzekerheid tijdens het veranderproces.

Voor een duurzaam vervolg van de aanpak is volgens het onderzoek ook ondersteuning op landelijk niveau nodig. Na 2027 is het belangrijk dat landelijke partijen, zoals zorgverzekeraars en het ministerie van VWS, helpen om barrières in wet- en regelgeving en financiering te doorbreken.

Programma-adviseur en adviseur leefomgeving