Van sick building naar gezonde stad

Blogbericht

Pi de Bruijn

Pi de Bruijn

  • In de wijk

Van sick building naar gezonde stad

22 augustus 2014

Wat kan de gebouwde omgeving bijdragen aan een gezonder leven? Dat is een vraag waar architecten en stedenbouwkundigen vele kanten mee uit kunnen. Je kunt bijvoorbeeld naar het meest basale aspect kijken: de materialen. Waar bouw je mee? Hout of steen? Gebruik je asbest, of materialen die fijnstof veroorzaken of allergieën opwekken?

Een stapje verder is de vraag of een gebouw gezond functioneert. Is er bijvoorbeeld sprake van hinder door de wind? En natuurlijk: kun je zelf als werknemer een raam openzetten? Die kwestie was een jaar of twintig geleden hoogst actueel. Het ‘sick building syndrome’ had in die tijd zowel een lichamelijke als een mentale kant. Omdat ramen niet open konden, hadden ziekteverwekkers in ventilatiesystemen soms vrij spel. Daarnaast bleek het psychologische effect groot te kunnen zijn van een gebouw dat mensen vrijwel afsnijdt van de buitenwereld.

Gebouwen met ramen die open kunnen zijn heden ten dage zo’n beetje standaard, dus er is duidelijk een verbetering opgetreden. Maar laten we nu eens de blik verplaatsen van het binnenmilieu naar de gezondheidseffecten van gebouwen op hun omgeving. Eerste vraag kan dan zijn: hebben gebouwen nog een belangrijke functie, nu Het Nieuwe Werken en de thuiswerkplek in opmars zijn? Wat moeten we met die skyline die elke zichzelf respecterende stad graag wil hebben?

Toch gaat die skyline niet verdwijnen. Dat mensen meer thuis gaan werken is een goede ontwikkeling, en er zal daardoor ook minder volume aan kantoorruimte nodig zijn. Maar wat er overblijft, gaat meer rond de stations samenklonteren. Het worden echte knooppunten; centra van stedelijke ontwikkeling. En dat zal de lucht in blijven gaan, omdat het gewoon gunstig is om dicht op het openbaar vervoer te zitten.

Dat is een gunstige ontwikkeling: het geeft ons grip op de mobiliteit. En dat past in de verschuiving van een autoland naar meer aandacht voor het openbaar vervoer en de fiets. Veel jonge mensen willen al helemaal geen auto meer. Dat kun je ondersteunen met perfecte mogelijkheden om van A naar B te komen. Dat vraagt dan weer om stroomlijning van vervoerstypen: je moet bijvoorbeeld vanaf het perron zó op je fiets kunnen stappen en je auto vlak bij het station kunnen parkeren. En het gebouw waar je werkt dus dicht bij het station hebben.

Dat is allemaal een stuk complexer dan de ‘hout-of-steen-vraag’. Je maakt dan ook de stap van het gebouw naar stedenbouw. En naar de bijzonder interessante vraag hoe die stedenbouw aan gezondheid gekoppeld kan worden.